In september 2002 heb ik een exemplaar van deze radio gekregen dat in een bijzonder slechte staat verkeerde. Vooral de
bedrading: de isolatie was grotendeels vergaan en verkruimelde onmiddellijk bij aanraking. Op sommige soldeerpunten was
de bedrading afgebroken of losgewerkt in het soldeer (zouden dit al van oorsprong koude lassen zijn geweest, of is het de tand des tijds?). Het blikpakket van de voedingstrafo was uitgezet door roestvorming, mogelijk gemaakt door het ontbreken van twee van de bouten die normaliter het pakket bij elkaar houden. De kap was afwezig, en een van de zijstukken vertoonde een grote barst. Het geheel was door en door verstoft, beschimmeld en vervuild. Gelukkig heb ik inmiddels ook de hand kunnen leggen op een 2414 in bijna perfecte staat. In dit geval was alleen van de flexibele draadjes (topaansluitingen, aansluiting variometer) de isolatie duidelijk verbrokkeld. Ik noem de twee exemplaren in het vervolg respectievelijk #1 en #2.
Van de in #1 aanwezige buizen (E462, E428, B443, 1805) waren de eerste en de laatste zeker niet origineel, ze zouden
namelijk niet eens in de gesloten kast passen! De bezetting van #2 is E442, E424, B443, 506K.
In #1 was de middenpen (kathode-aansluiting) van de E462 afgeknipt en vervangen door een aangesoldeerd draadje,
omdat de originele vierpotige E442 (1928) een zijcontactaansluiting heeft voor de kathode. Bij #2 is tussen de aansluitbussen
van de E442 een vijfde gaatje geboord - ik denk bij dezelfde gelegenheid als toen het netsnoer werd vervangen, zie onder.
Van de in #2 aanwezige nieuwere, vijfpotige E442 (1929) behoefde de middenpen dus niet afgeknipt te worden. Ik denk dat er
een draadje omheen gewikkeld zat; vreemd genoeg was dat niet aanwezig toen ik de radio in handen kreeg.
Restaureren van #1 met behoud van de bedrading was geen optie. Ik heb daarom besloten de bedrading rigoreus te verwijderen.
Dan kon ik vervolgens het toestel uit elkaar nemen en grondig schoonmaken. Misschien ga ik ooit nog eens proberen de bedrading
te vernieuwen.
Hieronder een puntsgewijs verslag van de dingen die mij bij het uit elkaar nemen zijn opgevallen.
De radio is zo compact ontworpen dat het vervangen van onderdelen bij reparatie een onmogelijke klus moet zijn geweest.
Het in elkaar zetten of uit elkaar nemen moet in een heel specifieke volgorde gebeuren. Uit elkaar nemen kan eigenlijk pas
na het verwijderen van de bedrading. Zelfs het vervangen van het netsnoer (wat gebeurd is bij #2) is een ingrijpende operatie.
De overweging is waarschijnlijk geweest dat er in de radio geen onderdelen zitten met een groot uitvalrisico gedurende de
economische levensduur (afgezien van de buizen!). Er zijn bijvoorbeeld geen electrolytische condensatoren gebruikt; die
zijn al aan het eind van de 19de eeuw uitgevonden, maar in 1928 bestonden er nog geen praktisch bruikbare uitvoeringen.
Inmiddels weten we overigens dat de toegepaste papiercondensatoren ook niet het eeuwige leven hebben....
foto 1: Vooraanzicht van #2.
Twee ebonieten zijstukken zijn aan een gegalvaniseerd stalen chassis bevestigd. Op een ebonieten subchassis bevindt zich
de dubbele LF trafo (koppelingstrafo en uitgangstrafo in één doos) en drie buisvoeten. Dit subchassis bestaat
uit twee delen, die door een metalen plaatje gescheiden zijn. Dit metalen plaatje is op een plaats aan het hoofdchassis
gesoldeerd. Waarschijnlijk is het grootste deel van het subchassis identiek aan dat van de oorspronkelijke gelijkstroomuitvoering
van het apparaat (2501); het kortste deel is bedoeld voor de gelijkrichterbuis. Beide delen zitten aan elkaar vast met een
holniet, deze dient tevens als doorvoer voor de bedrading.
Bovenop het hoofdchassis staan het condensatorblok CB2, de afstemcondensatoren C1 en C7 en de smoorspoel S, de spoelenset
en wat kleinere onderdelen.
De variometer waarmee de mate van terugkoppeling kan worden ingesteld wordt bediend via een asje coaxiaal met de as van C7.
Het ebonieten subchassis van de HF-versterker is aangebracht tegen het linker zijstuk van de radio. Onder dit subchassis
(foto 2) bevindt zich ook de aansluiting van het netsnoer; het verwisselen hiervan is dan ook geen sinecure!
Onder het hoofdchassis vinden we naast het eerder genoemde subchassis de voedingstransformator T1 en condensatorblok CB1.
foto 2: subchassis van de HF versterker zoals aangetroffen in #1
Bij het uit elkaar nemen van de radio is zo goed mogelijk geprobeerd het schema te reconstrueren. In het schema is ook de lokatie van de diverse 'ingeblikte' condensatoren aangegeven.
foto 3: achteraanzicht van #2. De condensatoren C3, C4, C5 in de antenneleiding zijn door een vorige eigenaar verwijderd.
Enkele opmerkingen bij het
schema
(zie ook de
componentenlijst)
en de technische realisatie:
De luidsprekers van toen waren 'hoog-ohmig' en werden meestal gewoon in het anodecircuit opgenomen. Ze waren zo geconstrueerd
dat de gelijkstroomcomponent van het LF stuursignaal geen probleem was, voor het scheiden van LF en gelijkstroom was
de trafo dus niet nodig. Wel om te voorkomen dat bij het onderbreken van de luidsprekerleiding het schermrooster van
de eindbuis rood zou komen te staan, en in verband het veiligheidsrisico van een luidspreker 'zwevend' op
anodespanningsniveau.
De aluminium strip tussen de rechter zijkant en de bovenste afschermplaat dient niet alleen ter versteviging, maar ook
om de metaallaag (tin?) aan de binnenkant van het zijstuk met het chassis te verbinden. Deze metaallaag moet nodig geweest
zijn om 'handeffect' bij het draaien aan de variometerknop te voorkomen.
De negatieve roosterspanning voor B1, B2 en B3 wordt ontleend aan de aftakkingen van de rij weerstanden S, R6, R7
(in dit verband moet met de gelijkstroomweerstand van S worden gerekend). Als het totale stroomverbruik toeneemt worden
de roosters meer negatief, waardoor de stroomtoename wordt tegengewerkt. De netwerkjes C2/R8, C15/R9 en C11/R5 zijn
nodig om te voorkomen dat zo ook het geluid wordt weggeregeld.
Aansluiting 3 van condensatorblok 1 is het referentiepunt ('aarde') van de schakeling. Het is via C12 met het metalen
chassis verbonden.
De lengte van de draden en de onderlinge locatie van de onderdelen doet vreemd aan voor iemand die gewend is HF
schakelingen te bouwen.
De eindpenthode B443 (de allereerste penthode!) is direct verhit. Omdat de gloeidraad dik is (stroomverbruik 150 mA)
heeft hij een grote warmtecapaciteit, zodat de wisselstroomvoeding niet al te veel 100 Hz brom veroorzaakt. De luidsprekers
van toen gaven trouwens niet veel respons bij zulke lage frequenties.
R8 en R9 zitten, verpakt in een met teer volgegoten kartonnen doosje, onder het ebonieten HF versterker subchassis.
Voedingstrafo met zekering, daarnaast condensatorblok 1.
* project #82426
Naschrift: Ik heb de brokstukken van de gesloopte 2514 doorgegeven aan Henk Blom. Hij liet mij weten (juni 2007) dat
hij het apparaat weer in werkende toestand heeft gebracht!